[printen] 

De WISC-III is een intelligentietest voor kinderen van 6 tot en met 17 jaar. De test geeft aanwijzingen over de leermogelijkheden van het kind. Het algemene intelligentieniveau wordt uitgedrukt in een totaal IQ score. Daarnaast wordt tijdens de afname van de test een goede indruk gekregen van de werkhouding van het kind in de één-op-één-situatie.

De test bestaat uit dertien onderdelen. Zes daarvan doen een beroep op de taal-denkontwikkeling. Hiermee wordt de verbale intelligentie in kaart gebracht. Het kind moet allerlei mondelinge vragen beantwoorden. Bij de overige zeven onderdelen werkt het kind met concreet materiaal, zoals bijvoorbeeld puzzels en blokjes. Hierbij spelen ruimtelijk inzicht en het handig kunnen oplossen een belangrijke rol. Hiermee wordt een beeld verkregen van de performale intelligentie.

Hieronder volgt een korte beschrijving van de testonderdelen, die als volgt in factoren gegroepeerd kunnen worden:

Verbaal begripfactor:
Dit betreft testonderdelen die een beroep doen op feitenkennis, logisch denken en uitdrukkingsvaardigheid.
  • Informatie: hierbij gaat het om 'weetjes'.
  • Overeenkomsten: hierbij moeten overeenkomsten tussen twee begrippen gezocht worden.
  • Woordkennis: bij dit onderdeel moet de betekenis van woorden omschreven worden.
  • Begrijpen: bij dit onderdeel worden vragen gesteld over alledaagse (sociale) situaties.

Perceptuele organisatiefactor:
Dit betreft testonderdelen die betrekking hebben op aandacht voor details, het analyseren van patronen, het samenvoegen van details tot gehelen.

  • Onvolledige Tekeningen: het vinden van ontbrekende details in tekeningen.
  • Plaatjes Ordenen: Hierbij moeten plaatjes zo snel mogelijk in een goede volgorde gelegd worden, zodat er een logisch verhaal ontstaat.
  • Blokpatronen: het namaken van patronen met rood en wit gekleurde blokken.
  • Figuur Leggen: het zo snel mogelijk maken van legpuzzels.

Verwerkingssnelheid:
Dit betreft testonderdelen die een beroep doen op het zo snel mogelijk verwerken van visueel weergegeven informatie.

  • Substitutie: hierbij moeten -in een zo snel mogelijk tempo- tekens gekoppeld worden aan vormen of cijfers.
  • Symbolen Vergelijken: gepaarde groepen symbolen die het kind met elkaar moet vergelijken en waarvan het moet aangeven of beide groepen een gemeenschappelijk symbool bevatten.

De volgende onderdelen vallen buiten de bovenstaande indeling:

  • Rekenen: rekenopgaven die het kind uit het hoofd moet oplossen, waarbij het mondeling antwoord moet geven.
  • Cijferreeksen: hierbij moeten cijfers in een gegeven en in omgekeerde volgorde worden nagezegd.
  • Doolhoven: het vinden van de weg naar de uitgang in voorgedrukte doolhoven.